Studie – Bijbelcommentaar van Matthew Henry (Hoofdstuk III)
Studie – Bijbelcommentaar van Matthew Henry Drie eeuwen verklaring met geestelijk-praktische diepgang Woord wooraf Hoofdstukken Hoofdstuk I Hoofdstuk II Hoofdstuk III Slot Hoofdstuk III. Inhoud en nut van Henry’s Bijbelcommentaar In dit derde punt gaan we terug naar de inhoud en het nut (oftewel de bruikbaarheid) van Matthew Henry’s Bijbelcommentaar. Wat nu volgt is een uitbreiding en verdieping van wat in het eerste punt eigenlijk al in een notendop is weergegeven. Ik wil dat doen met wat drie personen hebben gezegd. ‘Met z’n drieën’ geven ze volgens mij een aardig, elkaar completerend, beeld. We laten hiervoor eerst aan het woord de al genoemde dr. C.A. Tukker (A); dan voor het middenstuk uitgebreider dr. H. Bavinck (B); en als derde de ons wat meer vertrouwde dr. John Piper (C); Afsluitend met een typering van Matthew Henry zelf (D). Als ‘toegift’ kan ik het niet laten om in twee noten nog drie andere getuigen op te voeren: in de eerste noot de twee door God zeer gebruikte opwekkingspredikers George Whitefield (spreek uit: Whit-field) en John Wesley 21) Naast Tukker, Spurgeon en Piper, had niet alleen de bekende en door God bijzonder gebruikte predikant-evangelist George Whitefield, maar ook zijn even bekende collega John Wesley hoge achting en diepe waardering voor Henry’s commentaar. En het kan niet anders of het met hoofd en hart bestuderen van de Bijbel met toelichting van Henry heeft én hun leven én hun prediking diepgaand beïnvloed. ‘k Licht de ‘arminiaans’ getinte Wesley (boven zijn al genoeg ‘calvinistisch’ georiënteerde personen aan bod gekomen ) er even uit. Eerder had hij al verklarende aantekeningen op het het NT uitgegeven en werd er nu toe gedrongen, datzelfde te doen voor het OT. In verband met deze ‘mega-klus’ en tijdgebrek, besloot hij voor dat doel echter de commentaar van Henry te gebruiken, namelijk er een verkorte editie van te publiceren: ‘John Wesley’s Notes on (…) the Old Testament’. Wesley, en daar gaat het mij nu om, schreef in zijn ‘Preface’, Edinburg, April 25, 1765, over Henry (die hij overigens vreemd genoeg Mark Henry noemt) het volgende: ‘He is allowed by all competent Judges, to have been a person of strong understanding, of various learning, of solid piety, and much experience in the ways of God. And his exposition is generally clear and intelligible, the thoughts being expressed in plain words: It is also found, agreeable to the tenor of scripture, and to the analogy of faith. It is frequently full, giving a sufficient explication of the passages which require explaining. It is in many parts deep, penetrating farther into the inspired...























