Stud

Studie – De Doop van Charles Haddon Spurgeon (1)

Deel 1 Ik (Spurgeon, SM) herinner mij het probleem waarin ik zat toen ik mij na mijn bekering wilde aansluiten bij de christelijke kerk in de plaats waar ik woonde (Newmarket). Ik ging vier achtereenvolgende dagen naar de predikant, zonder hem te spreken te krijgen. Iedere keer was er iets dat een onderhoud in de weg stond; en omdat ik hem dus niet kon spreken, heb ik hem geschreven en gezegd dat ik graag lid van de gemeente wilde worden, want ik voelde dat ik zonder gemeenschap met Gods volk niet gelukkig kon zijn. Ik wenste te zijn waar zij waren, en als iemand hen bespotte wenste ik met hen bespot te worden; en als men scheldwoorden voor hen had, wilde ik dat men ook mij die scheldwoorden zou geven; want ik voelde dat als ik niet met Christus leed in zijn vernedering, ik ook niet met Hem zou kunnen heersen in heerlijkheid. Toen ik was toegelaten als lid van de Congregationalistische gemeente te Newmarket, werd ik genodigd deel te nemen aan het Avondmaal, hoewel ik niet gedoopt was. Ik weigerde omdat mij dit niet in overeenstemming leek met de orde in het Nieuwe Testament: Zij dan, die zijn woord aanvaarden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. En zij bleven volharden bij het onderwijs van de apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. (Handelingen 2:41) Ik wachtte tot ik aan de tafel van de Heere kon gaan als iemand die had geloofd en was gedoopt. Van jongs af aan was ik naar Gods huis gegaan met vader en grootvader, maar toen ik de Schrift las, zag ik dat ik zelf een oordeel vormen moest. Ik wist dat mijn vader en mijn grootvader (beiden predikant) kleine kinderen in hun armen namen, wat druppels water op hun voorhoofd sprenkelden en dan zeiden dat zij gedoopt waren; maar in mijn Bijbel kon ik de doop van kinderen of zuigelingen niet vinden. Ik heb wat Grieks geleerd; maar ik kon niet ontdekken dat het woord ‘dopen’ de betekenis heeft van ‘besprenkelen’; dus zei ik tegen mijzelf: “Zij zijn toegewijde gelovige mannen, maar zij kunnen mis zitten, en hoewel ik om hen geef en hen hoog acht, is dit toch geen reden om hen na te volgen.” En toen zij mijn oprechte overtuiging hoorden, waren ze het met mij eens dat het mijn recht was om naar mijn overtuiging te handelen. Volgens mij lezen we in de Bijbel even weinig over de “doop” van een onmondig kind als de “doop” van een schip of...