Deel 1
Ik (Spurgeon, SM) herinner mij het probleem waarin ik zat toen ik mij na mijn bekering wilde aansluiten bij de christelijke kerk in de plaats waar ik woonde (Newmarket). Ik ging vier achtereenvolgende dagen naar de predikant, zonder hem te spreken te krijgen.
Iedere keer was er iets dat een onderhoud in de weg stond; en omdat ik hem dus niet kon spreken, heb ik hem geschreven en gezegd dat ik graag lid van de gemeente wilde worden, want ik voelde dat ik zonder gemeenschap met Gods volk niet gelukkig kon zijn. Ik wenste te zijn waar zij waren, en als iemand hen bespotte wenste ik met hen bespot te worden; en als men scheldwoorden voor hen had, wilde ik dat men ook mij die scheldwoorden zou geven; want ik voelde dat als ik niet met Christus leed in zijn vernedering, ik ook niet met Hem zou kunnen heersen in heerlijkheid.
Toen ik was toegelaten als lid van de Congregationalistische gemeente te Newmarket, werd ik genodigd deel te nemen aan het Avondmaal, hoewel ik niet gedoopt was. Ik weigerde omdat mij dit niet in overeenstemming leek met de orde in het Nieuwe Testament:
Ik wachtte tot ik aan de tafel van de Heere kon gaan als iemand die had geloofd en was gedoopt.
Van jongs af aan was ik naar Gods huis gegaan met vader en grootvader, maar toen ik de Schrift las, zag ik dat ik zelf een oordeel vormen moest. Ik wist dat mijn vader en mijn grootvader (beiden predikant) kleine kinderen in hun armen namen, wat druppels water op hun voorhoofd sprenkelden en dan zeiden dat zij gedoopt waren; maar in mijn Bijbel kon ik de doop van kinderen of zuigelingen niet vinden. Ik heb wat Grieks geleerd; maar ik kon niet ontdekken dat het woord ‘dopen’ de betekenis heeft van ‘besprenkelen’; dus zei ik tegen mijzelf:
En toen zij mijn oprechte overtuiging hoorden, waren ze het met mij eens dat het mijn recht was om naar mijn overtuiging te handelen. Volgens mij lezen we in de Bijbel even weinig over de “doop” van een onmondig kind als de “doop” van een schip of van een klok.
Daarom zei ik mijn lidmaatschap op en werd, wat ik nog steeds ben: een baptist, maar ik hoop veel meer christen dan baptist te zijn. Veel mensen gaan naar een kerk, omdat hun grootmoeders ook naar die kerk gingen. Wellicht waren zij toegewijde gelovigen, maar wat voor invloed heeft dat op mijn mening?
“Misschien niets”, zegt iemand, “maar ik wil de kerk van mijn voorvaders niet verlaten.” Dat wil ik ook niet, want ik zou het fijn vinden tot dezelfde gezindte te horen als mijn vader; ik zou niet moedwillig of uit eigenzinnigheid een andere weg willen gaan; maar toch, God moet mij boven mijn ouders gaan.
Hoewel onze ouders een eerste plaats innemen in ons hart, en wij hen liefhebben en eren, en in andere zaken doen wat ze zeggen, toch moeten we in godsdienstige zaken voor het aangezicht van onze eigen Meester als mannen zelf oordelen; en naar onze overtuiging handelen.
Ik ontmoette eens een man die al veertig jaar christen was en die geloofde dat hij gedoopt moest worden; maar toen ik hem er over aansprak, zei hij:
Na het veertig jaar te hebben uitgesteld, sprak hij nog van niet haasten. Ik wees hem op een andere Schriftplaats:
Ik legde hem de betekenis van de tekst uit die hij verkeerd had aangehaald en toegepast.


























