Studie – De Doop van Charles Haddon Spurgeon (3)

  • Wie was Charles Haddon Spurgeon (1834-1892) ?

    Spurgeon

    Charles Haddon Spurgeon was in allerlei opzicht bijzonder begaafd. Reeds op zestienjarige leeftijd verkondigde hij het Evangelie in een eenvoudige boerenwoning. In Londen bracht hij door zijn prediking duizenden mensen bijeen. Het was zijn passie het Evangelie van Christus te brengen en de mensen tot bekering op te roepen.
    Spurgeon komt al op zeer jonge leeftijd tot het inzicht van de doop door onderdompeling. Hij verdedigt de volwassen-doop hartstochtelijk tegenover alle onbegrip die er ook in zijn tijd al was. En uit deze jongeman groeit ‘de prins der predikers’ zoals hij later wel genoemd werd: “De doop heeft ook mijn tong losgemaakt, want van die dag af was zij altijd in beweging.”

  • Deel 3

    Ik (Spurgeon, SM) zal 3 mei 1850 nooit vergeten. Het was de verjaardag van mijn moeder, en enkele weken later was het mijn zestiende verjaardag. Ik stond vroeg op om een paar rustige uren van gebed te hebben en mijzelf opnieuw aan God toe te wijden. Daarna maakte ik een wandeling van ongeveer 13 kilometer om de plaats te vinden waar ik overeenkomstig het heilige gebod in de naam van de Drieënige de doop door onderdompeling zou ontvangen. Wat was het een wandeling! Wat kwam er aan gedachten en gebeden op in mijn ziel gedurende deze ochtendreis! Het was bepaald geen warme dag en daarom zeer geschikt voor een voettocht van tussen de twee en drie uur.

    Een blik op het vriendelijke gezicht van ds. Cantlow loonde de moeite van de lange tocht. Het is alsof ik die toegewijde man nu nog voor mij zie en de witte as van het turfvuur waarbij wij samen stonden te spreken over de ceremonie die ons wachtte. We gingen naar de oversteekplaats (er was toen nog geen bad binnenshuis), het ruime doopvont van de rivier. De oversteekplaats te Isleham aan de rivier de Lark is een stille plek, op nog geen kilometer afstand van het dorp, en het gehele jaar door wordt de rust zelden door verkeer verstoord. De rivier zelf is een fraaie stroom, de grens tussen de graafschappen Cambridge en Suffolk, die door de visliefhebbers druk wordt bezocht. Tussen Bury St.-Edmunds en de zee te Lynn is dit riviertje bevaarbaar, maar te Isleham is het nog maar een kleine stroom.

    Het veerhuis is, als er een doopplechtigheid plaatsvindt voor de predikant en de doopkandidaten toegankelijk. Als de doop op een van de dagen door de week plaatsheeft en er weinig toeschouwers zijn, staat de predikant op de plaats waar de sloep opgehaald wordt als er een reparatie nodig is. Maar op zondagen, als vele mensen aanwezig zijn, staat de predikant in een sloep, die in het midden van de stroom is vastgelegd en spreekt het woord tot de menigten, die aan beide oevers verzameld zijn. Dat is goed mogelijk omdat de rivier niet breed is. De geschikte diepte wordt spoedig gevonden en zo heeft de heerlijke ceremonie dan plaats in de langzaam vloeiende stroom. Geen ongeval of wanorde heeft daar ooit de dienst verstoord. In haar loop van 11 of 12 kilometer doet de Lark voor niet minder dan vijf Baptistengemeenten dienst en deze zouden hun dopen in open lucht niet graag prijsgeven.

    Voor mijn gevoel waren er op deze doordeweekse dag zeer veel mensen gekomen. Gekleed in een kiel met omgevouwen boord woonde ik de dienst bij die aan de doopplechtigheid voorafging; maar alle herinnering daaraan is verdwenen; mijn gedachten waren bij het water, soms in blijdschap met mijn Heer, soms zenuwachtig onder het gevoel van verantwoordelijkheid die door zo’n openlijke belijdenis op mij rustte.

    Eerst werden twee vrouwen gedoopt – Diana Wilkinson en Eunice Fuller – en men vroeg mij hen door het water naar de leraar te begeleiden; maar daarvoor was ik te verlegen. Ik had het dopen nooit tevoren gezien, alles was nieuw voor mij, en ik was bang een vergissing te maken. De wind was scherp en koud toen het mijn beurt was de rivier in te gaan; maar toen ik enige stappen gedaan had en de mensen in de veerboot zag, en in de boten aan beide oevers was het alsof de hemel en de aarde en de hel mij konden aankijken, want ik schaamde mij niet mij op die tijd en op die plaats als een volgeling van het Lam bekend te maken. Mijn verlegenheid was verdwenen, zij ging met het water van de rivier maar de zee, en het is zeker door de vissen verslonden, want ik heb er nooit meer last van gehad. De doop heeft ook mijn tong losgemaakt, want van die dag af was zij altijd in beweging. In deze rivier de Lark heb ik duizenden angsten verloren en ervaren dat in het houden van de geboden van de Heere een rijke beloning ligt (Psalm 19:12). Het was voor mij een zeer gelukkige dag. God zij geloofd voor zijn bewarende goedheid, die mij in staat stelt zo’n tijd later er nog met innig genoegen over te schrijven!

    In de consistoriekamer te Isleham heb ik toen in gezelschap van de uiterst vriendelijke en hartelijke predikant een zeer goede avond doorgebracht. Het was zeer koud, zodat er een turfvuur, waarvan ik mij de witte gloed nog goed kan herinneren, nodig was om de kamer te verwarmen. Ds. Cantlow is gedurende enige tijd zendeling geweest op Jamaica. Tweeëndertig jaar heeft deze voortreffelijke man te Isleham gewoond als predikant van de gemeente, totdat hij zo door ouderdom verzwakt was dat hij de dienst niet langer kon waarnemen.

    Toen heeft hij onze student, de heer Wilson, als zijn opvolger bij de gemeente geïntroduceerd. Dat was een man die graag het zachte antwoord gaf dat de grimmigheid afkeert. (Spreuken 15:1) Hij was geliefd door zijn gemeente en genoot de achting van het gehele dorp. Zijn dood is een mijlpaal in mijn leven die mij eraan herinnert dat de dagen al lang voorbij zijn dat men mij de boy-preacher noemde.

    In zijn boek getiteld Het leven en de arbeid van Ds. C.H. Spurgeon zegt de heer Stevensson, dat ik mij een jaar voordat ik gedoopt werd, bij de Baptistengemeente had aangesloten. Het is echter nooit bij mij opgekomen om de kerk van Christus binnen te treden langs een andere dan de door Hem bevolen weg. Ik zou willen dat alle andere gelovigen er toe gebracht werden om hun zichtbaar verband met de kerk te doen beginnen met de instelling van het symbool voor het gestorven zijn voor de wereld, het met Christus begraven zijn, en de opstanding in een nieuw leven. Die vrije rivier, de grote groep mensen op de oevers en de doopplechtigheid door onderdompeling zijn nooit uit mijn geheugen gewist. Ze waren eerder vaak een aansporing tot het doen van mijn plicht, en als een zegel van de toewijding aan God. Laat niemand het mij voortaan moeilijk maken. Want Hij die mij eerst heeft verlost, heeft mij daarna als zijn dienstknecht aangenomen, waarvan als teken mijn sterfelijke lichaam in de vloed gedompeld is. Het uitwendige teken heeft mij vaak gediend om mij de geestelijke betekenis ervan levendig voor de geest te brengen. Daarom is het voor mij kostbaar ter wille van Hem die de instelling heeft bevolen en er zichzelf ook aan heeft onderworpen.